Steenkolenwinning Staatsmijn Maurits

 

Eerder beschreef ik de ontginning van de Graetheide vanuit Ophoven langs de zogeheten "Veheweg", gevolgd door verkaveling en exploitatie van de akkerbouwgronden, waarop later het grootste deel van onze wijk gebouwd zou worden. Het onderhavige artikel beoogt een beschrijving te geven van het ontstaan van onze wijk in de jaren 1917/19 en haar eerste grote uitbreiding in de jaren 1927/28. Daarvoor moeten we terug naar de laatste twee jaren van de eerste wereldoorlog, jaren die gekenmerkt werden door een schreeuwend tekort aan brandstoffen, veroorzaakt door de gestremde invoer van steenkool uit Duitsland en België.

Verlegen om brandstof begon men in onze provincie met de aanleg van een vijftal bruinkoolgroeves onder meer in de onmiddellijke nabijheid van onze wijk in de Graetheide (Oude Postbaan/Urmonderbaan): De Louisegroeve, welke in 1917 in bedrijf kwam. De delvers waren voor het merendeel polderjongens uit Brabant, Zeeland, Drenthe en Overrijssel. Zij werden in groepjes van een twintigtal, bij een keetbaas, ter plaatse primitief gelegerd en verzorgd. Reeds in 1921 werd de exploitatie van de groeve gestaakt. Van dit alles rest thans nog slechts de met grondwater gevulde groeve in de Graetheide en de plaatselijke aanduiding "de Broenkaol". Van meer beduidende betekenis voor de brandstofschaarste zou de opening van de Oranje Nassau III (Heerlerheide) en de Staatsmijn Hendrik (Brunssum) in 1917 blijken alsmede de ontginning van de Maasvelden ten westen van onze stad ten behoeve van de aanleg der Staatsmijn Maurits. Hoewel deze ontginning reeds in 1914 gestart werd, zou de Maurits pas in 1925 in bedrijf komen.

Door dit alles verdubbelde de personeelsbezetting der Limburgse steenkoolmijnen van 10.271 in 1915 naar22.874 in 1920. Er heerste in onze stad in de jaren 1917/18 een ongekend grote woningnood. Daarenboven verwachtte deze stad weldra het centrum te worden van de nieuwe mijnzetel onder Lutterade. Dit blijkt onder meer uit het streven van de Kamer van Koophandel Sittard om de hoofdadministratie der Staatsmijnen te Sittard te krijgen, de uitbreiding van het ziekenhuis tot mijnhospitaal, de bouw van 25 beambtenwoningen inhei Villapark in 1920 en de stichting van een School voor Maatschappelijk Werk in 1922.

Gedreven door zeer grote woningnood en een ongebreideld vooruitgangsoptimisme besloot de Gemeenteraad op 20 juni 1917 aan de bouwvereniging "Sittard" een voorschot te verlenen van f 472.000 (in 1918 tot f 731.700 wegens duurdere bouwkosten) voor de stichting van "121 werkliedenwooningen" ten zuiden van de stad.Besloten werd de woningwet?woningen te projecteren in een tweetal wooncomplexen: Kleindorp en Sanderbout met respectievelijk 49 en 72 woningen.

De projectie van de woningen vond uit oogpunt van een verantwoorde ruimtelijke ordening wel hoogst ongelukkig plaats: Op bijna 2 kilometerbuiten het centrum der stad, midden in het veld. Enerzijds waren de wettelijke mogelijkheden tot onteigening ten behoeve van de woningbouw (thans aan de orde van de dag) rond 1917 nog zeer beperkt, zodat men moest volstaan met gronden verkregen door minnelijke schikking. Anderzijds valt een dergelijke projectie te verklaren vanuit de huiver van sommige gemeentelijke notabelen om een zogenaamde kolonie in de kom van de gemeente te !aten bouwen. Dit omdat men bij voorbaat wist dat deze door vreemdelingen zou worden bewoond. In de gemeenteraadsvergadering van 09 december 1920 ontspon zich een interessante discussie over deze materie, waarover ik in dit bestek (helaas) niet kan uitweiden. Opvallend is ook de ingezonden brief van een zekere "G.W." in de "Nieuwe Limburgsche Aankondiger" van 28?8?1920, waarin hij zich beklaagt over de uitleg der stad in de richting Stadbroek. Deze uitleg dient op de Maurits gericht te zijn. "Op de Maurits aan, niet op de Rode Beek" luidt de slotzin van zijn betoog.

Kan men al kritiek uitoefenen op de situering van de beide wooncomplexen, dit geldt zeker niet voor de verkaveling van de bouwterreinen. Deze werd zeer ruim opgezet en hierbij werd veeleer gestreefd naar een afgeronde buurtstructuur dan naar een zo sterk mogelijke benutting van het terrein. Hiervan getuigde de gehele architectonische opzet van de wooncomplexen: In kleine bouwblokjes van 4 à 5 woningen werden de huizen gegroepeerd tot een wijk. De architect, Jan Stuyt, stond een wijk voor ogen, waar gemeenschap mogelijk was. Dit benadrukte hij door de vele halfronde, bakstenen, poortbouwsels, die de woonblokken aan elkaar hechten. Veel aandacht besteedde de bouwmeester eveneens aan het uiterlijk der woningen, getuige de grote variatie in woningtypen. De indeling der woningen mag voor die dagen revolutionair genoemd worden: De gemiddelde inhoud van de Kleindorpse woningen bedroeg 271 m3, die van de Sanderboutse zelfs 290 m3! Dit alles in een tijd, waarin in Maastricht de Sphinx?arbeiders met hun gezinnen nog gehuisvest werden in 1968?éénkamerwoningen en, om dichter bij huis te blijven, in Stadbroek 5 à 6 gezinnen in één houten barak woonden (Broekstraat; thans Jeroen Boschstraat). Hinder werd ondervonden bij de afwerking van beide wooncomplexen, zodat, alhoewel de bouw in juni 1917 startte, de eerste huizen pas in december 1918 opgeleverd werden. Dan begint ook de grote trek naar de nieuwe woonwijken.

Een vluchtige analyse van de eerste 80 gezinnen, leert, dat de nieuwe bewoners afkomstig waren uit alle delen van het land. Zo vestigde zich in 1919 in de Voestraat (thans: Bloemenweg) de fam. Hompinga uit Gasselternijveen (Drenthe). Hun buren waren het echtpaar Wouts?Luycks uit Boschkapelle (Zeeland). Wat kan al deze mensen bewogen hebben, om hun geboortestreek te verlaten en zich te vestigen in het, in die dagen nog donker geheten, zuiden?

Ongetwijfeld is het economische motief? de relatief hoge lonen in de mijnstreek - de belangrijkste beweegredenen tot verhuizing. Dit motief heeft in de migratie naar Sanderbout/Kleindorp m.i. een beduidende rol gespeeld: Van de eerste 80 gevestigde gezinnen bleek de kostwinner in 23 gevallen (dus ruim 25%!) werkeloos. Zij vonden nieuw emplooi in het mijnwerkersberoep. Daar de Maurits evenwel pas in 1925 in bedrijf kwam, moeten zij aanvankelijk hun bestaan gevonden hebben in de mijngangen van de Oostelijke Mijnstreek (Oranje Nassaumijn, Emma en Hendrik) en dus dagelijks heen en weer gependeld hebben. Daartoe was op de Spoorlijn Sittard-Heerlen een aparte Halte "Ophoven" in gebruik ter hoogte van de Burg. Coenderstunnel aan de Veestraat, welke halte in 1919 uitgebreid werd met een wachtlokaal.

Aparte aandacht verdient nog de zielszorg onder de nieuwe bewoners. Reeds in 1917 stichtte de Fransiscaan Suibertus Smitz aan de "Krommeweg" te Ophoven een klooster benevens kloosterkerk, welke op 8 december 1918 ingezegend werd. Het rectoraat Ophoven omvatte naast de gehuchten Ophoven en Leijenbroek ook de woonkernen Sanderbout en Kleindorp. Het eerste kerkbestuur bestond met de rector uit de heren Willem Lumens (Ophoven), Jan Dreissen (Leijenbroek), Johannes Hensgens (Sanderbout) en Arnold van Bommel (Kruisstraat; thans Past. Jacobsstraat). Blijkbaar huldigde men het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. De vraag kan gesteld worden of de gehuchten Ophoven en Leijenbroek de aanleiding vormden voor de stichting van dit rectoraat. De parochianen van deze gehuchten hadden immers reeds eeuwen hun weg naar de Sittardse parochiekerk weten te vinden. Was niet de gebiedsuitbreiding ten westen van de Spoorlijn in Sanderbout en Kleindorp, met zijn nog onbekende bevolkingsaanwas, de beweegreden voor de stichting van klooster en kerk? De archieven (m.n. de gehanteerde kroniek van M. Hendriks O.F.M.) zwijgen hierover. Men bedenke, dat de jaren 1917/18 gekenmerkt werden door de opkomst van het, toen nog sterk geloofondermijnende, socialisme.

Ook de ontwikkelingen rond de bruinkooldelvers in de Graetheide baarden de nodige zorg: Nadat er in augustus 1918 klachten waren over de zeepdistributie, brak er op 1 november een algehele werkstaking uit onder de 500 arbeiders. Het lag voor de hand het geestelijke leven van al de arbeiders, die zich hier vestigden, van meet af aan in goede banen te leiden. Tekenend is in dit verband het opschrift op de gedenksteen, ingemetseld aan de achterzijde van de Ophovense Antoniuskerk: "In benarde tijden stichtte Katholiek Nederland deze Sint Antoniuskerk tot behoud des geloofs in de mijnstreek (!!) 1918".

Eerst in 1950 werd Sanderbout-Kleindorp een eigen kerkelijke gemeenschap. Daartoe werd een houten noodkerk aan de Veestraat opgericht. Na dertig jaar seculiere zielszorg keerde in de parochie in 1980 in de persoon van B. Kruydenberg OFM terug onder de Franciscaanse Kromstaf.

Peter Boudewijn

 Copyright © 1963-2018 Stichting Wijkblad Sittard Tussen de Rails. All Rights Reserved.