Historie

Over de naam Kleindorp

 

 

Bij de bouw van de eerste 121 mijnwerkerswoningen in het Ophovener-en Eggelspoelderveld in 1918/1919 koos architect Jan Stuyt (1868-1934) in het bij de gemeente ingediende uitbreidingsplan voor groepering in een tweetal wooncomplexen: Sanderbout en Kleindorp ter grootte van 72, onderscheidenlijk 49 woningen (1). De beide wooncomplexen van deze dubbelwijk groeiden pas na de tweede wereldoorlog aan elkaar door de aanleg van de (nieuwe) Bloemenweg langs het trace van het eeuwenoude Voeswegske (2) Tijdens of kort na de bouw van de eerste woningen kreeg het grootste woningencomplex (Veestraat-Rozenstraat-Florastraat en Bloemenweg) de naam Sanderbout toegedicht. De naamverklaring levert geen problemen op. De wijknaam herinnert immers aan koning Sanderbout , alias Zwentibold, die van 895 tot aan zijn dood in 900 koning was van Lotharingen. In verband met zijn legendarische schenking van de Graetheide aan de inwoners van de daaromheen gelegen plaatsen werd hij in de regio, het land van Zwentibold, veelvuldig vernoemd: het Fort Sanderbout, gymnastiekvereniging Zwentibold te Sittard, de Sanderboutlaan in Stein etc. (3). Ook het oudste gedeelte van de latere mijnwerkerswijk Lindenheuvel heette aanvankelijk Zwentibold (Javastraat e.o.).

Veel moeilijker bleek het een verklaring te geven voor de naam Kleindorp, waarmee de 49 woningen langs Eggel-en Poelderstraat in de nabijheid van de gedempte Eggelspoel (ouder: Exelspoel) sedert 1919 aangeduid werden. Deze wijk bestond in feite slechts uit een groot blok woningen  en de verklaring Klein (=49 woningen)dorp ter onderscheiding van het grotere Sanderbout (72 woningen) dringt zich op. Mijnwerkerskolonieen werden bovendien gebouw volgens de toen gangbare tuindorpfilosofie en wel vaker als dorp aangeduid, b.v. Lauradorp in Landgraaf. Een hardnekkige overlevering in mijn familie wil echter dat de oorsprong van de naam Kleindorp een heel andere is. De naam zou namelijk terug te voeren zijn op een familie Kleindorp die in de nabijheid van het later gebouwde wooncomplex een boerderij bezat. Oudere Sanderboutenaren wisten mij tot voor ca. dertig jaar terug nog te verhalen over een boer Kleindorp, bij wie ze vroeger hun eieren, groente en fruit kochten. Een van hen, wijlen mevr. A.Tholen-Albertz uit de Resedastraat, wist mij in het midden van de jaren zeventig nog de exacte ligging van deze boerderij langs de Rijksweg en voor het voormailge slachthuis uit te tekenen.

In het stadsarchief van Sittard heb ik jarenlang gezocht naar een bewijsstuk voor het bestaan en/of de bouw van de hoeve Kleindorp.Tevergeefs. Het bewijs was althans met een schriftelijke bron niet rond te krijgen en bleef gestaafd op de volksoverlevering. Wel ontdekte ik dat de familienaam Kleindorp al sedert de achttiende eeuw inderdaad in Sittard voorkomt: Een inwonerslijst uit 1703 noemt Johannes Cleindorff als inwoner van de Voorstadt (4).Omdat Sittard toen tot het hertogdom Gulik behoorde werd de naam in het Duits geregistreerd. Een originele bevolkingslijst van het kanton Sittard uit 1799 die zich in het Hauptstaatsarchiv te Dusseldorf bevindt, vermeldt Jacques en Jean Kleindorff bijna een eeuw later als inwoners der Voorstadt. Daarmee mag dan bewezen zijn dat naam Kleindorp als patroniem sedert de achttiende eeuw in Sittard voorgekomen is. Het bewijs voor het bestaan van de hoeve Kleindorp langs de Rijksweg onder Sanderbout, en dus op meer dan twee kilometer ten zuiden van de Voorstadt, was daarmee nog steeds niet geleverd. Maar het toeval komt de onderzoeker soms op verrassende wijze tegemoet. Toen ik in mijn vakantie op 30 juli 1991 onderzoek verrichtte in verband met mijn bijdrage in de uitgave Sittard uit Bronnen geput dat in het kader van Sittard 750 jaar Stad verscheen, viel mijn oog een ogenblik slechts op een vergeeld vier folianten tellend stuk uit 1851, Het bleek een authentiek extract uit het Register der Resolutien van gedeputeerde Staten van het hertogdom Limburg, met de volgende inhoud:

Maastricht, den 30 julij 1851

De Gedeputeerde Staten van het Hertogdom Limburg

Gezien het adres van Jacobus KLEIJNDORP te OPHOVEN onder Sittard strekkende ter bekoming van autorisatie tot het bouwen van een huis langs den grooten weg der  1e klasse van Maastricht naar Nijmegen (Rijksstraatweg).

Gezien het daarop ingewonnen advies van den waarnemend Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat alhier en Burgemeester en Schepenen van Sittard .d.d 24 dezer.

Gelet op de bestaande verordeningen betreffende het bouwen langs groote wegen;

hebben goedgevonden en verstaan:

De verlangde autorisatie bij deze te verleenen onder de nagemelde bepalingen, te weeten:

1. Dat het bedoeld huis zal moeten worden opgetrokken op eenen afstand van 10 el uit de as des wegs en evenwijdig aan dezelve;

2. Dat de bovenkanten der dorpels van de te maken deuren en ingangen waterpas zullen moeten worden gelegd met de voormelde as;

3. Dat geene uitsprongen hoegenaamd van meer dan tien duim naar de zijde des wegs aan den bewuste bouw mogen worden aangebragt;

4. Dat in de Sloot des wegs eene duiker zal moeten worden gemaakt, welks vloer waterpas moet worden gelegd met den bodem der Sloot, hebbende eene opening in den dag van niet minder dan 30 duim, in het vierkant, welke opening te allen tijde zoodanig zal moeten worden schoongehouden, dat niets den vrijen afloop des waters hinderlijk zijn;

5. Dat wijders niets mag worden daargesteld, hetwelk het aanziens des wegs zou kunnen ontsieren;

6. Dat binnen de twee jaar na de dagtekening der tegenwoordige autorisatie , van dezelve zal moeten zijn gebruik gemaakt. Zullende voorts wegens de ten deze gedane opneming door den adressant aan opzigter L.E. Keijzer moeten worden voldaan het bedrag van f. 1,41.

Afschrift dezer (op zegel) zal worden uitgereikt aan den adressant Kleijndorp voornoemd. Gelijke afschriften zullen worden gezonden aan de Heeren waarnemende Hoofd-Ingenieur en Burgemeester en Schepenen voornoemd, ten einde ieder in den zijnen voor stipte naleving te doen zorgen.

Present de Heeren:

C.Ruijs van Beerenbroek, bij afwezigheid van den Commissaries des Konings, het voorzitterschap waarnemende,

Boutamps, F.Corneli, J.B. Corbeij, F.Corten en F. Michiels van Kessenich, Griffier der Staten.

De Gedeputeerde Staten voornoemd,

Getekend C/ Ruijs van Beerenbroek, Loco-Commissaris des Konings;

Ter ordonantie van dezelven,

De Griffier der Staten,

(getekend) F. Michiels van Kessenich,

Voor eensluidend Extract, de Griffier der Staten

J.B. Corbeij, Loco-Griffier.

Daarmee was op de dag af 140 jaar na afgifte van de bouwvergunning (autorisatie) het bewijs van het bestaan van de hoeve Kleindorp onder Sanderbout geleverd. In dit verband is opmerkelijk dat een journalist van de Limburger Koerier in 1944 de wijknaam Kleindorp eveneens herleidde tot het bestaan van de familienaam Kleiundorp, Wie deze buurt wilde aanduiden sprak van Kleindorp. De naam is zo overgegaan op de buurt en blijven voortbestaan toen de familie er niet meer woonde. De journalist vermeldt bovendien: Een tiental jaren geleden is nog in Doenrade overleden een zekere Jan Hendrik, die uit deze Sittardse familie stamde en in 1852 in Sittard was geboren. Bijna zijn geheel leven heeft hij doorgebracht bij dhr. Dieteren te Doenrade, destijds burgemeester van Oirsbeek, en zijn familie.De mannelijke tak der familie Kleindorp is met genoemden Jan Hendrik uitgestorven-hij bleef ongehuwd. Een zuster van hem moet naar Holland vertrokken zijn (5) Zo is het bewijs eindelijk rond, de jurist bevredigd en de volksoverlevering bewaarheid.

Peter Boudewijn

Noten:

1. Mr. P.M. Boudewijn, Sanderbout-Kleindorp in HJLvZ Sittard 1984, 154-165.

2. P.M. Boudewijn, Sittard: Mauritsstad of Tuindorp ? In ; Sittard uit Bronnen geput, band II, Sittard 1993, 605-631

3. A.M.P.P. Janssen, Zwentibold, historie en fictie in HJLvZ 1997, 70-86

4. Gemeentearchief Sittard, voorlopig invenraisnummer 1021

5. Limburger Koerier 25 februari 1944

Naam Sanderbout

 

Koning Zwentibold, ook wel Sanderbout genoemd, is de onechte zoon van koning Arnulf van het Oostfrankische rijk. Hij versloeg de Noormannen in 891. Om de adel in toom te houden en de orde te herstellen benoemde hij in 895 zijn bastaardzoon Zwentibold tot koning van Lotharingen. In 900 sneuvelde hij ergens in de buurt van de Maas en hij is volgens de overlevering te Susteren begraven. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met het verhaal van de schenking van de Graetheide, het voormalige Graetbos, aan de bewoners van verschillende dorpen. Alleen de bewoners van de dorpjes waar de ruiter van de koning doorheenreed tijdens de maaltijd van de koning, kwamen in aanmerking voor de schenking van de koning. Hieronder het verhaal:

Te Born leefde op het kasteel te Grasbroek een koning, namelijk Sanderbout van Lotharingen, die veel oorlogen voerde. Op een zekere nacht droomde hij, dat God hem beval, aan de mensen, die hij door zijn oorlogen in grote nood had gebracht, een gift te geven, die hun enigszins het doorstane leed zou verzachten. Hij vertelde zijn droom 's morgens aan zijn vrouw en die raadde hem aan, het woud, de Graat geheten, met heide en weiden en zesduizend zeshonderd zes en zestig bunders groot, te geven aan de bewoners van die streek. Die hadden bijzonder veel geleden.
Nog dezelfde dag vernam het hof van de ingeving Gods en het voornemen van de koning, en allen spoorden de koning aan zijn voornemen gestand te doen.

Na de Hoogmis beval Sanderbout een man op een paard te stijgen en weg te rijden, wanneer de heren voor de maaltijd water namen. Sanderbout had de ruiter gezegd, dat er zoveel dorpen als hij binnen het noenmaal zou omrijden, aan de gift deel zouden hebben. De ruiter reed nu over Born, Guttecoven, Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo naar Stein, Van Stein kwam hij aan de Hauzerlinden. Daar wisselde hij zijn paard voor een ander wit paard en reed nu over Urmond, Berg, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten en zo naar Holtum. Daar stond een oud wijf aan een slagboom. Hij verzocht haar deze te openen, maar zij weigerde dit. Hij reed nu om Holtum heen en bereikte Born nog juist, toen Sanderbout en zijn gasten water na de maaltijd namen.

Hij vertelde de koning nu wat er gebeurd was te Holtum. Nu besliste Sanderbout, omdat het wijf te Holtum deze man niet heeft willen doorlaten, zal Holtum ten eeuwige dage van deze gift uitgesloten blijven. Zo geschiedde.

Eggerweg

 

Deze keer aandacht voor de Eggerweg. Dit is de weg van Sanderbout over de spoorbrug naar de randweg op het bedrijventerrein Fortuna. Bij dit artikel is gebruik gemaakt van "Wo Dan in Zitterd" van wijlen dhr. J. L. Offermans en van een artikel van Prof. Dr. Schrijnemakers in het boek "Munstergeleen".

De Eggerweg was vermoedelijk een vroeg middeleeuwse verbindingsweg tussen Aken en Eyck (thans Aldeneyck bij Maeseyck). Van deze oude verbindingsweg resten in onze onmiddellijke nabijheid nog twee afzonderlijke veldwegen, eertijds met elkaar in verbinding gestaan hebben. Een veldweg komt vanuit Einighausen, kruist de Bergerweg en loopt door de Graetheide naar de brug in de Veestraat. De andere veldweg komt vanuit Munstergeleen, door het Ophovenerveld naar Rijksweg-Zuid (bij het slachthuis). In archiefstukken komt deze weg vanaf 1443 veelvuldig voor.

Wanneer men de weg in de richting van Aken beschouwde, noemde men hem in de archiefstukken Akenerweg, schouwde men hem in de richting van "Eyck" dan heette hij Eycker- of Eekerweg. De huidige benaming is ons inziens een verbastering van Ekerweg, daar -het Sanderboutse deel van de Eggerweg via Graetheide een doorgang bood naar de Maashavens en Eyck

Reconstrueren wij de oorspronkelijke Eggerweg, dan n heeft deze als volgt gelopen: Komend vanuit Aken naar Munstergeleen en van hieruit door het Ophovenerveld naar de huidige Rijksweg ter plaatse van het slachthuis. Hier splitste zich de reeds eerder beroken Exelspoelderweg af. Vanaf deze splitsing vervolgde Eggerweg, door het huidige Sanderbout zijn traject, om bij de zgn. ,Pastoorsboum" (kadastrale benaming bij het kruis aan de Eggerweg) samen te komen met de "Viheweg" en de Exelspoelderweg. Vanuit deze driesprong liep de Eggerweg door de Graetheide via Einighausen naar "Eyck". De verdwenen verbindingsweg van de bovengenoemde wegen stond kadastraal bekend als het "Voswegske".

Gezien het feit, dat in de Graetheide vroeger veelvuldig vossen en rond 1700 nog menig wolf gesignaleerd werd, menen wij dat de verklaring voor deze benaming voor de hand ligt. De Eggerweg kwam in 1975 óók in de belangstelling, omdat hij als grens van de nieuw gevormde parochie Limbrichterveld fungeert. Uit het herderlijk schrijven van 4 januari 1975 inzake de grenzen citeren wij:

,Na een nauwkeurig onderzoek stellen wij voor de grenzen en de nieuwe parochie (Limbrichterveld) als volgt te omschrijven: In noordelijke richting: de spoorlijn Sittard-Roermond tot aan de gemeentegrens. n westelijke richting: de gemeentegrens. n zuidelijke richting: de gemeentegrens tot het punt, waar e Bergerweg de Eggerweg kruist. Vanaf dit snijpunt volgt e grens de Eggerweg in zuidoostelijke richting tot aan de rug in de Veestraat en vanaf dit punt de spoorlijn in noordoostelijke richting".

Peter Boudewijn

Kleindorp

 

Bij de bouw van de eerste 121 mijnwerkerswoningen in het Ophovener-en Eggelspoelderveld in 1918/1919 koos architect Jan Stuyt (1868-1934) in het bij de (voormalige) gemeente Sittard ingediende uitbreidingsplan voor groepering in een tweetal wooncomplexen: Kleindorp en Sanderbout ter grootte van 49 onderscheidenlijk 72 woningen.

Pas na de tweede wereldoorlog groeiden de beide woonwijkjes (h)echt aan elkaar door de aanleg van de Bloemenweg, die het tracé van het eeuwenoude Voeswegske volgde en aanvankelijk ook "Voesstraat"" gedoopt werd. Het grootste woningencontingent (Veestraat-Rozenstraat-Florastraat en Bloemenweg) kreeg de naam Sanderbout, naar de legendarische koning Sanderbout alias Zwentibold, die van 895 tot 900 koning van Lotharingen was en in Susteren begraven ligt.

In verband met de legendarische schenking van de Graetheide werd hij in het Land van Zwentibold veelvuldig vernoemd: Sittard kent naast de wijknaam Sanderbout het Fort Sanderbout en de oudste vereniging van die stad draagt de naam Zwentibold.

Stein kent zijn Sanderboutlaan en ook de mijnwerkersbuurt Lindenheuvel-Geleen heette aanvankelijk Zwentibold.

De 49 woningen die in 1918 langs de Eggel-en Poelderstraat verrezen in de nabijheid van de gedempte Eggelspoel (ouder: Exelspoel) kregen de wijknaam KLEINDORP en werden aanvankelijk doorlopend Kleindorp 1, 2 en 3…etc. genummerd.

Tot voor enkele decennia terug sprak men nog consequent van Sanderbout-Kleindorp; de laatste jaren wordt de naam Kleindorp helaas bijna niet meer gebruikt. Toch ligt de wijk door de samenvoeging van Sittard-Geleen en Born in geografisch opzicht thans zeer centraal en leidt de beoogde nieuwbouw op het voormalige slachthuisterrein langs de Eggelspoelderweg wellicht weer tot herintroductie van deze oudste Sittardse wijknaam. De oorsprong van de naam Kleindorp is immers interessant genoeg.

In 1993 heb ik reeds uitvoerig in deze kolommen beschreven dat de naam geen toponiem maar een patroniem is en terug te voeren is op de familienaam Kleindorp, die al in de 18de eeuw in Sittard voorkomt als "Cleindorff". Op 20 juli 1851 kreeg een zekere Jacobus Kleijndorp uit Ophoven-Sitatrd ""authorisatie"" tot het bouwen van een huis ""langs den grooten weg der 1ste klasse van Maastricht naar Nijmegen (Rijksstraatweg, thans de Rijksweg (-Zuid).

De bewoners van de mijnwerkerswoningen langs de Eggel-en Poelderstraat noemden hun wijk eenvoudig bij, aan of achter (de familie) Kleindorp en de wijknaam was geboren. Deze en andere wetenswaardigheden over de oude wijk-en familienaam Kleindorp heb ik inmiddels verwerkt in een uitvoeriger artikel voor het Historisch Jaarboek van het Land van Zwentibold 2003, dat in december a.s. in de boekhandel te verkrijgen is. Onopgelost bleef, althans voor mij, steeds de vraag naar de lotgevallen van de familie Kleindorp. Een enkel bijgebouw van hun hoeve stond tot in de jaren zestig nog langs de Rijksweg, oudere bewoners beweerden dat de familie zelf echter al vóór de oorlog vertrokken was, maar niemand wist het kennelijk precies waarheen.

Tot… voor enkele weken terug. Toen attendeerde dhr. Math Vleeshouwers, redactielid van het Historisch Jaarboek mij op onderstaand artikel in de ""Limburger Koerier"" van 25 februari 1944, dat ik omwille van de historie in de authentieke spelling van die dagen weergeef:

Sittard, 25-2-1944

KLEINDORP.- Laten zich de namen van in onze gemeente gelegen dorpen, gehuchten, woninggroepen wel afleiden, met de buurt Kleindorp is zulks zeker niet 't geval, zoodat een nadere verklaring velen wellicht zal interesseeren. Kleindorp is gelegen aan den Rijksweg-Zuid, aan de grens van Geleen, ten zuiden van de woninggroep Sanderbout (d.i. Zwentibold ,bekend uit de oudste geschiedenis van Sittard). Vóórdat een twintigtal jaren geleden de groep arbeiderswooningen bij Kleindorp (de Eggelstraat en Poelderstraat) gebouwd werden, bestond de buurt Kleindorp uit slechts enkele woningen. Een klein dorp, kon men dus niet zeggen, een daarvan schijnt de naam dezer buurt ook niet te komen, maar de naam moet afkomstig zijn van een familie Kleindorp geheeten, die ongeveer een eeuw geleden daar in de buurt woonde. In den loop der jaren is hun huis echter verdwenen.

Vermoedelijk was dit destijds het eenige huis dat aldaar toen lag. Gebeurde er ter plaatse iets of wilde men deze buurt nader aanduiden dan werd ter verduidelijking gezegd: "Bij Kleindorp" , en zoo is deze familienaam overgegaan op de buurt en ook gebleven toen de familie er niet meer woonachtig was en andere huizen er tot stand kwamen.

Een tiental jaren geleden is nog in Doenrade overleden een zekere Jan Hendrik Kleindorp, die uit deze familie stamde en in 1852 te Sittard was geboren. Bijna zijn geheel leven heeft hij doorgbracht bij dhr.Dieteren te Doenrade, destijd burgemeester van Oirsbeek en zijn familie. De mannelijke tak der familie Kleindorp is met genoemden Jan Hendrik uitgestorven- hij bleef ongehuwd. Een zuster van hem moet naar Holland vertrokken zijn, waar wellicht de vrouwelijke tak nog voortleeft.

Graetheide

 

Op het punt waar Bergerweg en Urmonderbaan momenteel een drukke wegsplitsing (vork) vormen in de Graetheide, wordt de blik van menig aandachtig voorbijganger getroffen door een oude, ten dele gewitte, boerenhoeve: De latere Hoeve Nijsten. Hoeve en de vanouds naar de Graetheide leidende, en nog bestaande, Veestraat nodigden, mede door het voor handen zijnde archiefmateriaal, uit voor de navolgende korte terugblik. Oorspronkelijk vormde de Graetheide een uitgestrekt bosgebied ("de Graet"), dat - zo verhaalt een plaatselijk kroniekschrijver - rond 1642 nog tot de Voorstad reikte. Ten oosten van onze wijk grensde deze bebossing aan het oude straatdorp Ophoven. In een tweetal (helaas ongedateerde) wegenlijsten, berustend op het stadsarchief, is sprake van een "Lantwer beneven Ophoven".

Waarschijnlijk scheidde deze lantwer of landwering de Ophovense velden van het "Graetbos", teneinde ze te beschermen tegen binnendringend wild. Hoe deze landwering er precies uitgezien heeft (zandwallen, greppels, haagaanplantingen??) kunnen we slechts gissen. In latere tijden schijnt het "Graetbos" door grootschalige ontbossing (roofbouw??) veranderd te zijn in weide en veld: De Graetheide. Vanuit Ophoven waren deze weiden toegankelijk via de "Veheweg".

In de eerder aangehaalde wegenlijsten komt hij vooronder de wegen buiten de Limbrichterpoort: "Der Vehe weg achter Ophoven is eyn gemein wegh doer die Somersche hage sall breyt sein . . . . 1 Rode". De Veheweg was oorspronkelijk dus 1 roede oftewel 1 karrenspoor breed; de Somersche hage (vgl. de Haagstraat) maakte wellicht nog deel uit van de Ophovense landwering. Mogelijk ontleent de Veheweg zijn naam aan de veedrift vanuit Ophoven naar de nieuwe velden en weiden, die het grootste deel van onze wijk bedekten.

In de achttiende eeuw werd op grote schaal tot exploitatie van deze velden overgegaan. In een leggerboekvan landmeter Bollen uit 1747 telde ik in het gebied, begrensd door Vehestraet/Haeghweg" en "Exelspoelderweg" niet minder dan 81 verschillende kavels. Onder de bezitters vindt men de namen van oerechte Ophovense families: Breuckers, Laumen, Martens, Meisschen, Lemmens en Custers. In 1768 besloot de gemeente Sittard over te gaan tot verpachting van grond gelegen in de belastingvrije zone van de Graetheide. Het besluit hiertoe werd op 26 maart van dat jaar afgekondigd in de kerk te Sittard.

Niettegenstaande dit openbaar aanbod verschenen slechts twee gegadigden: Een zekere Abraham Clemens en Simon Schrijen. Op het stadsarchief bevindt zich een afschrift van de, zeven pagina's tellende, pachtakte (met dank aan J. Beckers te Sittard). Aan genoemde Simon Schrijen, voormalig inwoner van Overhoven, werden 54 bunder akkergrond en weide verpacht voor de duur van 27 opeenvolgende jaren (dus tot 1795). Als tegenprestatie betaalde hij de eerste drie jaren niets ("gar nichts"), de daaropvolgende twaalf jaren 100 Keulse Rijksdaalders en de laatste twaalf jaar 150 rijksdaalders per jaar. Blijkbaar bood het stadsbestuur hem in moeilijke beginjaren enige financiële armslag. Deze had hij wel nodig, daar hij voornemens was (zoals uit de acte blijkt) op het gepachte een "Behausung, Scheur und Stallungen" te bouwen. Deze bebouwing, in het tot dan toe nog geheel onbewoonde gebied, dateert dus van kort na 1768. De afgelegenheid van dit gebied klinkt nog door in de Sittardse verwensing: "Ich woll daste oppe Graethei zouts".

In de vorige eeuw kwam de hoeve in het bezit van de familie Crux; oude Sittardenaren duiden dit gedeelte van de Graetheide dan ook nog aan als "Bie) Crox in de Graethei". Tot de dag van vandaag behield de hoeve haar 18e eeuwse karakter; na twee eeuwen beantwoordt zij nog steeds aan haar oorspronkelijke (agrarische) bestemming. Inmiddels zette de hierboven gesignaleerde verkaveling van de Graetheide zich gestaag voort: Toen men rond 1860 besloot tot de aanleg van de spoorweg Maastricht-Venlo, zag men zich in Sittard geconfronteerd met 237 te onteigenen percelen ten westen van de stad. Zij staan opgesomd in de Staatscourant van 9 november 1862 (No. 266, berustend op de Universiteitsbibliotheek te Nijmegen). Onder de te onteigenen percelen bevonden zich gedeelten van een drietal buurtwegen in onze woonwijk namelijk een gedeelte van de Veestraat ("Achter de Haag" genaamd), de Eggelspoelderweg en het Voetwegske.

Ten behoeve van deze spoorweg vond een grootscheepse grondverplaatsing plaats van het Eggelspoelderveld, ten zuiden van de stad, waar de aarden baan uitgediept werd, naar het Limbrichterveld, ten noorden van de stad, waar zij opgehoogd moest worden. Op 11 juli 1863 bezocht de befaamde Thorbecke, als minister van binnenlandse zaken, de grootscheepse werkzaamheden te Sittard: "Tegenover Ophoven stapte zijne Excellentie, vergezeld van hoofdingenieur Cool, uit zijn voertuig en wandelde naar het gedeelte van den Spoorweg, alwaar men thans bezig is met de uitgravingen en het vervoer der aarde . . . .", zo bericht het nieuws- en advertentieblad "Mercurius". Waarschijnlijk volgden beide notabelen op hun route het tracé van de aloude Veestraat.

Exelspoel

 

Van een zeeroude bewoning in de onmiddellijke nabijheid van het tegenwoordige Sanderbout getuigen de bandkeramische 'vondsten in de Thien Bunder. Opvallend is ook de vondst van een Romeinse munt van keizer Vespasianus (69-79 na Christus) in het huidige Sanderbout.

Door onze wijk liep vanouds de "Viheweg", waarover de bewoners van Ophoven hun vee naar het bos de "Graet" plachten te drijven. Een andere bekende weg was de "Exelspoelderwegh". Tussen genoemde wegen lag het "Exelspoeldervelt". In dit veld hadden nogal wat boeren land onder de ploeg. Landmeter Johannes Bollen noteerde hen reeds in 1747 onder het hoofdstuk:

"Alhier volght 't velt, Landen synde geleghen tusschen den Exelspoelderwegh ter eenere, ende ter andere syden den Haeghweg". Zo bezat Theunis Ploumen 69 roeden aan de "Vehestraet"; Gertrudt Laumen 62 roeden "aen den Exelspoelderwegh", Mechel Breuckers 57 roeden "in 't Exelspoeldervelt" en Lenaert Lemmens 82 roeden op de "Exelspoelderwegh".

"Aen de Haegh" (vgl. tegenwoordige Haagstraat) bezat een zekere Celis Custers een complex van maar liefst 143 roeden. Verscheidene der toen vermelde familienamen (Laumen, Breuckers, Lemmens en Custers) treft men thans nog aan in Ophoven; een bewijs voor de honkvastheid der Ophovenaren. Ook de "Exelspoel I" bestond nog in 1747, getuige het feit, dat de stad Sittard 107 roeden grond "neffens den Exelspoell" bezat. Het is uiterst merkwaardig, dat men later van de Eggelspoel ging spreken.

In 1862 werden 95 ellen in het Eggelspoeldenreld onteigend ten behoeve van de aanleg der spoorweg Maastricht-Venlo. Een tweede onteigening volgde kort na de eerste wereldoorlog ten behoeve van de woningbouw. Het wooncomplex kreeg de benaming "Kleindorp". Grootvader van schrijver dezes, die zich in de jaren twintig in de nieuw gebouwde woonwijk vestigde, beweerde, dat deze benaming afgeleid zou zijn van een geslachtsnaam. Tot mijn niet geringe verbazing ontdekte ik in een inwonerslijst uit 1703 (!!) inderdaad een zekere Johannes Cleindorff, die met vrouw en kinderen woonachtig was in de gemeente Sittard.

In het Hertogdom Gulik (waarvan de stad Sittard tot 1794 deel uitmaakte) was het Hoogduits de officiële taal der administratie. Vandaar de spelling "Cleindorff". Men diene in de genoemde familie geen Duitse immigranten te zien; hun nakomelingen hebben zich later "Kleindorp" genoemd. In 1919 betrokken de eerste bewoners de nieuwe woningen in Kleindorp. De woningen waren toen verbonden door fraaie poortbouwsels. Sommige gevels waren verlucht met baksteenpatronen.

Op 17 maart 1919 besloot de Sittardse Gemeenteraad bij acclamatie aan de nieuw aangelegde wegen in het wooncomplex de benamingen Eggel- en Poelderstraat" te geven. Bij de afbraak van de wijk inl 974 heb ik bij het college van B en W vurig gepleit voor behoud van de straatnamen, waarop het College instemmend beschikte. Tevens ging het College in op mijn voorstel de nieuwe straatnaamborden te voorzien van een verklarend onderschrift.

Tot mijn grote vreugde koos een overgrote meerderheid van de leden van opgerichte bejaardenkoor in 1979 voor de fraaie naam "De Eggelzangers".

Peter Boudewijn

Steenkolenwinning Staatsmijn Maurits

 

Eerder beschreef ik de ontginning van de Graetheide vanuit Ophoven langs de zogeheten "Veheweg", gevolgd door verkaveling en exploitatie van de akkerbouwgronden, waarop later het grootste deel van onze wijk gebouwd zou worden. Het onderhavige artikel beoogt een beschrijving te geven van het ontstaan van onze wijk in de jaren 1917/19 en haar eerste grote uitbreiding in de jaren 1927/28. Daarvoor moeten we terug naar de laatste twee jaren van de eerste wereldoorlog, jaren die gekenmerkt werden door een schreeuwend tekort aan brandstoffen, veroorzaakt door de gestremde invoer van steenkool uit Duitsland en België.

Verlegen om brandstof begon men in onze provincie met de aanleg van een vijftal bruinkoolgroeves onder meer in de onmiddellijke nabijheid van onze wijk in de Graetheide (Oude Postbaan/Urmonderbaan): De Louisegroeve, welke in 1917 in bedrijf kwam. De delvers waren voor het merendeel polderjongens uit Brabant, Zeeland, Drenthe en Overrijssel. Zij werden in groepjes van een twintigtal, bij een keetbaas, ter plaatse primitief gelegerd en verzorgd. Reeds in 1921 werd de exploitatie van de groeve gestaakt. Van dit alles rest thans nog slechts de met grondwater gevulde groeve in de Graetheide en de plaatselijke aanduiding "de Broenkaol". Van meer beduidende betekenis voor de brandstofschaarste zou de opening van de Oranje Nassau III (Heerlerheide) en de Staatsmijn Hendrik (Brunssum) in 1917 blijken alsmede de ontginning van de Maasvelden ten westen van onze stad ten behoeve van de aanleg der Staatsmijn Maurits. Hoewel deze ontginning reeds in 1914 gestart werd, zou de Maurits pas in 1925 in bedrijf komen.

Door dit alles verdubbelde de personeelsbezetting der Limburgse steenkoolmijnen van 10.271 in 1915 naar22.874 in 1920. Er heerste in onze stad in de jaren 1917/18 een ongekend grote woningnood. Daarenboven verwachtte deze stad weldra het centrum te worden van de nieuwe mijnzetel onder Lutterade. Dit blijkt onder meer uit het streven van de Kamer van Koophandel Sittard om de hoofdadministratie der Staatsmijnen te Sittard te krijgen, de uitbreiding van het ziekenhuis tot mijnhospitaal, de bouw van 25 beambtenwoningen inhei Villapark in 1920 en de stichting van een School voor Maatschappelijk Werk in 1922.

Gedreven door zeer grote woningnood en een ongebreideld vooruitgangsoptimisme besloot de Gemeenteraad op 20 juni 1917 aan de bouwvereniging "Sittard" een voorschot te verlenen van f 472.000 (in 1918 tot f 731.700 wegens duurdere bouwkosten) voor de stichting van "121 werkliedenwooningen" ten zuiden van de stad.Besloten werd de woningwet?woningen te projecteren in een tweetal wooncomplexen: Kleindorp en Sanderbout met respectievelijk 49 en 72 woningen.

De projectie van de woningen vond uit oogpunt van een verantwoorde ruimtelijke ordening wel hoogst ongelukkig plaats: Op bijna 2 kilometerbuiten het centrum der stad, midden in het veld. Enerzijds waren de wettelijke mogelijkheden tot onteigening ten behoeve van de woningbouw (thans aan de orde van de dag) rond 1917 nog zeer beperkt, zodat men moest volstaan met gronden verkregen door minnelijke schikking. Anderzijds valt een dergelijke projectie te verklaren vanuit de huiver van sommige gemeentelijke notabelen om een zogenaamde kolonie in de kom van de gemeente te !aten bouwen. Dit omdat men bij voorbaat wist dat deze door vreemdelingen zou worden bewoond. In de gemeenteraadsvergadering van 09 december 1920 ontspon zich een interessante discussie over deze materie, waarover ik in dit bestek (helaas) niet kan uitweiden. Opvallend is ook de ingezonden brief van een zekere "G.W." in de "Nieuwe Limburgsche Aankondiger" van 28?8?1920, waarin hij zich beklaagt over de uitleg der stad in de richting Stadbroek. Deze uitleg dient op de Maurits gericht te zijn. "Op de Maurits aan, niet op de Rode Beek" luidt de slotzin van zijn betoog.

Kan men al kritiek uitoefenen op de situering van de beide wooncomplexen, dit geldt zeker niet voor de verkaveling van de bouwterreinen. Deze werd zeer ruim opgezet en hierbij werd veeleer gestreefd naar een afgeronde buurtstructuur dan naar een zo sterk mogelijke benutting van het terrein. Hiervan getuigde de gehele architectonische opzet van de wooncomplexen: In kleine bouwblokjes van 4 à 5 woningen werden de huizen gegroepeerd tot een wijk. De architect, Jan Stuyt, stond een wijk voor ogen, waar gemeenschap mogelijk was. Dit benadrukte hij door de vele halfronde, bakstenen, poortbouwsels, die de woonblokken aan elkaar hechten. Veel aandacht besteedde de bouwmeester eveneens aan het uiterlijk der woningen, getuige de grote variatie in woningtypen. De indeling der woningen mag voor die dagen revolutionair genoemd worden: De gemiddelde inhoud van de Kleindorpse woningen bedroeg 271 m3, die van de Sanderboutse zelfs 290 m3! Dit alles in een tijd, waarin in Maastricht de Sphinx?arbeiders met hun gezinnen nog gehuisvest werden in 1968?éénkamerwoningen en, om dichter bij huis te blijven, in Stadbroek 5 à 6 gezinnen in één houten barak woonden (Broekstraat; thans Jeroen Boschstraat). Hinder werd ondervonden bij de afwerking van beide wooncomplexen, zodat, alhoewel de bouw in juni 1917 startte, de eerste huizen pas in december 1918 opgeleverd werden. Dan begint ook de grote trek naar de nieuwe woonwijken.

Een vluchtige analyse van de eerste 80 gezinnen, leert, dat de nieuwe bewoners afkomstig waren uit alle delen van het land. Zo vestigde zich in 1919 in de Voestraat (thans: Bloemenweg) de fam. Hompinga uit Gasselternijveen (Drenthe). Hun buren waren het echtpaar Wouts?Luycks uit Boschkapelle (Zeeland). Wat kan al deze mensen bewogen hebben, om hun geboortestreek te verlaten en zich te vestigen in het, in die dagen nog donker geheten, zuiden?

Ongetwijfeld is het economische motief? de relatief hoge lonen in de mijnstreek - de belangrijkste beweegredenen tot verhuizing. Dit motief heeft in de migratie naar Sanderbout/Kleindorp m.i. een beduidende rol gespeeld: Van de eerste 80 gevestigde gezinnen bleek de kostwinner in 23 gevallen (dus ruim 25%!) werkeloos. Zij vonden nieuw emplooi in het mijnwerkersberoep. Daar de Maurits evenwel pas in 1925 in bedrijf kwam, moeten zij aanvankelijk hun bestaan gevonden hebben in de mijngangen van de Oostelijke Mijnstreek (Oranje Nassaumijn, Emma en Hendrik) en dus dagelijks heen en weer gependeld hebben. Daartoe was op de Spoorlijn Sittard-Heerlen een aparte Halte "Ophoven" in gebruik ter hoogte van de Burg. Coenderstunnel aan de Veestraat, welke halte in 1919 uitgebreid werd met een wachtlokaal.

Aparte aandacht verdient nog de zielszorg onder de nieuwe bewoners. Reeds in 1917 stichtte de Fransiscaan Suibertus Smitz aan de "Krommeweg" te Ophoven een klooster benevens kloosterkerk, welke op 8 december 1918 ingezegend werd. Het rectoraat Ophoven omvatte naast de gehuchten Ophoven en Leijenbroek ook de woonkernen Sanderbout en Kleindorp. Het eerste kerkbestuur bestond met de rector uit de heren Willem Lumens (Ophoven), Jan Dreissen (Leijenbroek), Johannes Hensgens (Sanderbout) en Arnold van Bommel (Kruisstraat; thans Past. Jacobsstraat). Blijkbaar huldigde men het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. De vraag kan gesteld worden of de gehuchten Ophoven en Leijenbroek de aanleiding vormden voor de stichting van dit rectoraat. De parochianen van deze gehuchten hadden immers reeds eeuwen hun weg naar de Sittardse parochiekerk weten te vinden. Was niet de gebiedsuitbreiding ten westen van de Spoorlijn in Sanderbout en Kleindorp, met zijn nog onbekende bevolkingsaanwas, de beweegreden voor de stichting van klooster en kerk? De archieven (m.n. de gehanteerde kroniek van M. Hendriks O.F.M.) zwijgen hierover. Men bedenke, dat de jaren 1917/18 gekenmerkt werden door de opkomst van het, toen nog sterk geloofondermijnende, socialisme.

Ook de ontwikkelingen rond de bruinkooldelvers in de Graetheide baarden de nodige zorg: Nadat er in augustus 1918 klachten waren over de zeepdistributie, brak er op 1 november een algehele werkstaking uit onder de 500 arbeiders. Het lag voor de hand het geestelijke leven van al de arbeiders, die zich hier vestigden, van meet af aan in goede banen te leiden. Tekenend is in dit verband het opschrift op de gedenksteen, ingemetseld aan de achterzijde van de Ophovense Antoniuskerk: "In benarde tijden stichtte Katholiek Nederland deze Sint Antoniuskerk tot behoud des geloofs in de mijnstreek (!!) 1918".

Eerst in 1950 werd Sanderbout-Kleindorp een eigen kerkelijke gemeenschap. Daartoe werd een houten noodkerk aan de Veestraat opgericht. Na dertig jaar seculiere zielszorg keerde in de parochie in 1980 in de persoon van B. Kruydenberg OFM terug onder de Franciscaanse Kromstaf.

Peter Boudewijn

Bokkenrijders

 

In het veld tussen Kleindorp en Lindenheuvel markeert een mooi veldkruis nog steeds,de.plaats, waar eens menig bokkenrijder voor zijn misdaden aan de galg gevonnist werd. Het kruis wordt dan ook wel "kruuts aan de galg" of "Galgekruuts" genoemd. In de volksmond duidt men de omgeving van het kruis nog wel aan met de naam "in de galling", hetgeen wijst op een rechtplaats.

Wij wezen er reeds op, dat deze galg gestaan heeft ter plaatse van de "Raetscoul", een verlaging in de Graetheide, waar de bomen (in casu eiken) verwijderd waren. Daar wij de voorkeur geven aan betrouwbare bronnen, speurden wij in vele archivalia en boeken om onze gegevens te verifiëren. Dit alles bleef niet zonder resultaat. Wij waren in staat een van de vele verhalen over de bokkenrijders geheel na te gaan. De belangrijkste bronnen zijn wel artikels van Prof. Dr. Schrijnemakers in "Munsterleen' en "Limburg aan de Galg" van Frans van Oldenburg Ermke.

Inde nacht van 30 juni op 1 juli 1749 verzamelden een aantal bokkenrijders zich op de nog steeds bestaande "Vuling" te Geleen. Doel van hun bijeenkomst was een overval op het rijke herenhuis van de gezusters Gadé (vgl. de Geleense Gadéstraat) te Lutterade. De bende telde o.a. drie Munstergeleners, waaronder een zekere Antoon H., alsmede enkele inwoners van Oud-Geleen. De overval op de bejaarde gezusters (Josina en Jenne Marie, beiden zestig jaar oud),verliep vlekkeloos en de buit was groot.

Opmerkelijk is dat er zich onder de leden van. deze bende bokkenrijders een jonkheer en een oud-veldwachter bevonden. Dezelfde bende pleegde in de nacht van 4 op 5 maart 1750 een overval op het echtpaar Petni te Puth. Voor Antoon H., een schoenlapper, verliep deze overval minder gunstig, want hij werd door de mannelijke helft van het beroofde echtpaar herkend. Op 16 mei werd hij dan ook gearresteerd en in de kelders van kasteel Terborg bij Schinnen opgesloten. Op de pijnbank kwam zijn tong los en vertelde hij zijn misdaden. De sluwe Antoon was nog lang niet ten einde raad. Want op 6 oktober ontsnapte hij en liep barrevoets naar een vriend in Stadbroek.

Een andere medeplichtige, een zekere Johannes B. uit Munstergeleen ontsnapte eveneens uit de kerker van het kasteel "St. Jansgeleen" te Spaubeek. Hij werd weer gearresteerd en op 18 augustus 1751 werd hij tot de strop veroordeeld. Vijf dagen later.werd hij, tesamen met vijf andere bokkenrijders aan de "Raetscuyl" in het veld tussen Sittard en Lutterade opgehangen. Zo stonden er galgen in Hoensbroek, Puth-Schinnen, in de "Bondskerk" bij Munstergeleen, ja overal in Limburg.

Ons inziens mag men deze bokkenrijders niet als louter dieven of rovers betitelen. Ze passen beter bij de heksentijd., Zij reden immers op bokken en verzamelde zich op punten als de St. Rosakapel te Sittard. Ook het groot aantal notabelen onder deze bende, zoals jonker Willem de Gavarellle uit Oud-Geleen en dokter Kerkhof uit Kerkrade; wijst eerder in de richting van de magie dan van plunderen om het dagelijks brood.

In de stad Sittard werden opvallend weinig overvallen gepleegd. Waarschijnlijk werden de bokkenrijders hier afgeschrikt door de hecht omwalde en dichtbevolkte stad. De enigste twee overvallen werden dan ook op de Steenweg buiten de wal gepleegd. Wel woonden in Sittard veel helers, aan wie de bokkenrijders hun waar verkochten. Het ware te wensen, dat men zich met carnaval eens in een bokkenrijderscostuum hulde in plaats van in exotische indianentooien en door de commercie beïnvloedde televisiekostuums. De bokkenrijders waren immers mensen van deze streek, die hoe dan ook getuigen van het oude verleden van "oos sjoon Limburg".

Peter Boudewijn

 Copyright © 1963-2017 Stichting Wijkblad Sittard Tussen de Rails. All Rights Reserved.